Het ontstaan van Beringen

Het ontstaan van Beringen

Wapenschild BeringenBeringen wordt voor de eerste maal vermeld in 1120 als "Beringe". Deze naam is afkomstig van het Frankisch en betekent "nederzetting van Bero".
Beringen was een allodiale heerlijkheid, die ingevolge giften van de heilige Adelard omstreeks het einde van de achtste eeuw eigendom was van de abdij van Corbie.
Gedurende de middeleeuwen had de graaf van Loon de voogdij over de heerlijkheid. Graaf Arnold IV verleende in 1239 aan Beringen dezelfde vrijheden als de stad Luik. Beringen was één van de steden van het graafschap Loon, dat later deel ging uitmaken van het prinsbisdom Luik.
Twee burgemeesters, een voor de stad en een voor de buitingen, stonden aan het hoofd van de gemeente. Beringen was omringd met de wallen en grachten, die samen met de drie stadspoorten in het begin van de negentiende eeuw gesloopt werden. Rond de stad waren acht "motten", noodtorens omringd door een gracht.
In 1700 werd de in de twaalfde eeuw opgerichte Latijnse school tot een gemeentelijke college omgevormd.
De parochie Beringen strekt zich aanvankelijk ook uit over het grondgebied van Paal en Heusden. Even voor 1400 werd Heusden echter een afzonderlijke parochie. In 1708, na heel wat strubbelingen, was ook Paal zover.
Beringen is de geboorteplaats van August Cuppens, de bekende priester-dichter. Beringen is de zetel van het gelijknamige kanton en dekenaat.
 

Uitgelicht